Weblog archief

Een roepende stem

Maart 2011

Transformator, contact, zekering – de straatnamen in het industriegebied Westpoort rijmen als een techneutendicht. Brede wegen volgend, die grote, op het oog levensloze blokken doorsneden, waar op een noodopvang van het Leger des Heils na geen woonstee te ontdekken was, alleen maar kantoordozen, autoverhuurbedrijven en meubelopslagplaatsen, afgewisseld door braakvelden en aarden wallen met cementhoppers, naderde ik de wolkenkrabbers van knooppunt Sloterdijk, dat mierennest.

Aan het einde van de Spaarndammerdijk kwijnt de harde kern van een Oud-Hollands dorpje, aan alle kanten ingesloten door Manhattan, met een kerkje en een begraafplaats, alsmede een tweedehandsboekenwinkel. De etalage was slordig gevuld met dozenstapelingen en rijen oudbakken encyclopedieën, zoals De fascinerende dierenwereld en Liefde en sexualiteit. Ik verlustigde me in titels als De grote kloof, De glorie van ons polderland en Eenvoudige zielkunde, maar de deur was helaas potdicht.

Het was de tijd van de dag dat kantoren en scholen uitgaan. Electrische hekken van ondergrondse parkeergarages zoefden open en zwarte, glanzende automobielen vluchtten hun vrijheid tegemoet. In de schaduw van de spiegelende kolossen haastten nietige figuurtjes zich, lopend, pedalend of scooterend, naar huis of station. Velen rookten, velen telefoneerden hun geliefden. Anderen haalden hun kroost af bij een crèche onderin een van de flats en sleepten met kinderwagens. Bezoek ons nu en begin morgen te werken sprak een hoog opgehangen banier verleidelijk. Er werd van ‘virtuele kantoren’ gerept, wat voor de buitenstaander naar Elsschot riekte.

Bewust heel langzaam lopend volgde ik een plompe jongeman in leren jack, die er een aparte manier van lopen op na hield. Zijn gymschoenen stonden stukken verder uiteen dan de poten van de v en zijn korte benen, hoewel in één strakke spijkerbroek bijeengeperst, leken aan twee incongruente dieren toe te behoren. De linker was van een dwergnijlpaard, de rechter van een grote kat. Deze benen stootten elkaar af, maar werkten noodgedwongen samen en ontsprongen aan een en dezelfde bilpartij, naar de exacte anatomie waarvan men slechts gissen kon. Toch kwam deze knaap vooruit, en zoog daarbij aan een Marlboro-light.

De jongeman sloeg af naar het Carrascoplein. Ik brak mijn achtervolging af en ging op een bankje zitten. Alle mensen hier zagen er goed verzorgd en netjes aangekleed uit. Van lijmsnuivende zwerfkinderen geen spoor. Ook elders in de stad had ik die nog niet gespot, maar, dacht ik, mijn stijve dijen masserend, dat is vast omdat ik niet goed genoeg oplet. Want ze zijn er wel, kinderen onder de zestien die onder bruggen of in autowrakken slapen, enkele tientallen, misschien honderdvijftig op iets meer. Ik ken de ramingen niet. En toch: Amsterdam is geen Mexico-city.

Ik schrok op uit mijn gepeins door een eenzaam roepende mannenstem. Ik keek om me heen, maar de mensen waren óf stil, óf praatten op normale geluidssterkte. Geeneen schreeuwde. Het roepen, dat iets regelmatigs en ritmisch had, kwam dichterbij. Plotseling ontdekte ik op het fietspad een keurige heer met wit haar, hard en met voorovergebogen lichaam trappend, op een keurig rijwiel en met een keurige aktetas onder de snelbinders, die, zonder iemand in ’t bijzonder te adresseren of aan te kijken, almaar: ‘Kut! Kut! Kut! Kut! Kut!’ uitstootte. Had deze man een oorwassing van zijn chef gekregen? Leed hij aan het La Tourette-syndroom? Of was het een soort boedhistische meditatiespreuk?

In een mum vloog de kutroeper aan me voorbij. Ik keek hem na maar hij verdween al snel uit zicht. Ik kwam weer overeind, sjorde mijn tas met fototoestel en aantekenblok over de schouder, en vervolgde mijn tocht, denkende: had ik Eenvoudige Zielkunde maar kunnen kopen, dan wist ik nu misschien meer.