Weblog archief

Slotermeer

Februari 2011

Met een rood stiftje teken ik de routes die ik bewandeld heb in op een speciaal voor dat doel aangeschafte stadsplattegrond. Het is een heerlijke bezigheid, ik kan er helemaal in op gaan. Ik voel me weer een jongen, die met rode oortjes een wereldatlas bekijkt. Maar in plaats van Rondonia, Brazzaville of binnen-Mongolië, bereis ik de stad waar ik woonachtig ben, wel zo makkelijk en begrotelijk.

Vandaag nam ik tram 7 naar het Slotermeerplein, het eindpunt in West. Matige oostenwind, winterse koude, velden van schapenwolken tegen een schone, dunblauwe hemel. Af en aan brak de zon door, maar die perioden duurden nooit lang. Na de noordkust van het Slotermeer kort bewonderd te hebben toog ik via het Cupidohof en de Burgemeester Roëllstraat, een brede baan met in de middenberm de rails van lijn 13, westwaarts. Grote-gezins-wassen hingen te drogen op de balkonnetjes aan de achterzijde van grauwe, halfhoge flatblokken uit de jaren zestig. Menig Perzisch tapijt was over de wering gelegd, om het te luchten. Het was rustig op zondag in Slotermeer. Her en der stonden groepjes in windjacks met dikke, synthetische bontkragen gehulde zogeheten ‘hangjongeren’ te roken. Rondom de afval-verzamelpunten aan de uiteinden van de woonerven lag opgehoopt grof vuil. Ik vond het geen wijk om naartoe te gaan om op te vrolijken. Maar beretriest was het ook weer niet.

Op het Melis Stokehof stond ik opeens oog in oog met enkele inheemse kinderen van Noord-Afrikaanse komaf, meisjes zowel als jongetjes, die gillend met elkaar aan het spelen waren. Ze reageerden alsof ze alleen in televisiefilms eerder een blanke hadden gezien en verstijfden. Een meisje op een balkon, enigszins prematuur opgezwollen in de breedte en getooid met trossen van Griekse krullen, barstte, een kwart seconde nadat ze mijn gestalte gemonsterd had, in een schorre schater uit, waarna ze iets naar een jongen op straatniveau riep. Het testosteronrijke manneke was misschien vijf of zes. Hij blafte me spotziek toe, als een hyena-puppy een afgeleefde gnoe-stier. Ik nam de geworpen handschoen niet op en veinsde de kleuters niet op te merken. Toen begonnen ze elkaar na te bauwen en te scanderen: ‘Pinokkio!’ Tussen de elkaar wezenloos aanstarende huizenblokken galmde het: ‘Pinokkio! Daar gaat Pinokkio!’ Enerzijds vond ik het wel goed gevonden, anderzijds was ik er niet helemaal gelukkig mee.

Tenslotte bereikte ik het meest noordwestelijke punt van Slotermeer, een van mijn targets. Maar dat was een anti-climax, want er was niets te beleven daar. Althans, op het moment dat ik er opdook. Een man wandelde met een kinderwagen, een auto passeerde, gevolgd door een bus; sportvelden in de verte, het gedurig geruis van de Haarlemmerweg, die je dan dicht genaderd bent.

Via de J.P Oudstraat ontvluchtte ik, als een toerist in Bretagne die over de rand van de verste kaap in de razende diepte getuurd heeft en daarna omkeert, over een langgerekt fietspad parallel aan de autostrada die de Haarlemmerweg geworden is, en zo voortgaande kwam ik terug in de bewoonde wereld.
.
In de Dobbestraat, vlak achter de Burgemeester de Vlugtlaan, werden onder een van de poorten die dit straatje rijk is de laatste toebereidselen voor een politie-inval getroffen. Roodwit-gestreepte voertuigen blokkeerden de doorgang, de hondenbrigade werd uitgeladen, op iedere strategische hoek was een agent geposteerd. Omwonenden – vaders met kinderen, in lange bruine overjassen en hoofddoeken geklede vrouwen, opgeschoten jongeren – schouwden toe in gespannen afwachting. Een jongevrouw vroeg een van de agenten, een blonde knaap die als woordvoerder en verkeersregelaar leek te functioneren, wat er aan de hand was. Deze glimlachte politiek correct en zei met heldere stem: ‘Dat is voor u van geen belang.’ Kennelijk ging het om een actie op een need-to-know-basis.

Omdat ik geen misdaadjournalist ben besloot ik de onwikkelingen niet af te wachten en door te lopen naar het Bos en Lommerplein. De schemering viel snel in, overal werden lichten ontstoken. Een helicopter vloog over, een snijdende wind joeg om de gebouwen. De dag was voorbij.