Weblog archief

Tafeltennistafels in Amsterdam-Noord

Mei 2011

Amsterdam-Noord onderscheidt zich van de rest van de stad door de hoge concentratie aan openbare tafeltennistafels. Het is niet dat in Osdorp, Zuidoost, Watergraafsmeer of Slotervaart zulke tafels geheel ontbreken in het straatbeeld, maar het zijn er niet zoveel als in Noord. Denk aan de Metaalbewerkerweg, de Magnoliastraat, de Schellingwouderdijk, het Sterrenplein, de Lohuisstraat, Dijkwater of het speelplaatsje aan de zuidkant van de Grote Diestraat. Je zou er een fietsroute aan kunnen wijden.

De meeste van deze publieke pingpongmeubels staan er wat verloren bij, opzij van een flat, in een berm, en doen morsig en onverzorgd aan. Ze zijn gemaakt van donkergrijs, log beton en niet inklapbaar. Het netje is ook van beton, of van stevig metaalwerk. Het bolt in ieder geval niet op in de wind. Vanwege hun robuuste bouw valt de slijtage wel mee, al zijn ze vaak betekend en bekrast.

Er worden vrijwel nooit wedstrijden op deze tafels gespeeld. Ze lijken niet meer van deze tijd. Ik heb het idee dat ze bijna allemaal uit de jaren zeventig en tachtig stammen, de hoogtijdagen van het vaderlandse tafeltennis, met Bettine Vriesekoop als boegbeeld. Stilzwijgend wekken ze de indruk dat het sedertdien bergafwaarts met deze sport is gegaan, zoals inderdaad bevestigd werd door Vriesekoop in een recent kranteninterview ter gelegenheid van het wereldkampioenschap tafeltennis in Rotterdam, waarin ze stelde: ‘De bond heeft niet genoeg met mijn successen gedaan.’

Moeten deze kleine monumenten voor Bettine dan maar geruimd worden? Staan zij niet symbool voor een Noord dat hoognodig vernieuwd moet worden? Voor verveling, regenachtige zondagmiddagen, werkeloosheid, zelfs depressie? Ik sprak hierover met Lex Warmond, een IJveer-kapitein van begin vijftig. Warmond en ik hadden elkaar leren kennen op de voorjaarskermis op het Buikslotermeerplein. Hij was het niet met me eens dat deze tafels net zo goed afgebroken kunnen worden om plaats te maken voor iets eigentijds en kleurigs, zoals een skateboardbaan. Ze waren juist onderdeel van het ‘eigen karakter van Noord’, betoogde hij fel. ‘Moeten we hier soms een soort IJburg worden?’ Zijn grijze ogen bliksemden.

Warmond nam me mee naar Nieuwendam-Noord, omgeving Hilversumstraat. Hij wilde me een serie tafels van veel recentere datum laten zien (‘een nieuwe golf’). Daarmee wilde hij aantonen dat het tafeltennis benoorden het IJ springlevend is. De kapitein leidde me rond langs verschillende pleintjes tussen halfhoge flatblokken en daar zag ik tafels van een lichter en eleganter ontwerp dan de bovengenoemde, zowel wat betreft vormgeving als kleur. Ze waren wittig en de brede kant van het speelvlak was gemarkeerd met een helderblauwe band. In de dubbele, tamelijk ranke voet was een internetadres gegraveerd.

Het was een fraaie, maar winderige lentedag. We gingen zitten op een bankje in Breehorn, met uitzicht op een tweetal van deze moderne toestellen. Vrouwen met hoofddoekjes en kleine kinderen wandelden in de zon.
‘Maar wordt er nou ook vaak op gespeeld?’ vroeg ik.
‘Het waait nu natuurlijk te hard, hè,’ antwoordde Warmond. Hij vertelde dat altijd als hij een belangrijke beslissing in zijn leven moest nemen, hij bij een van deze tafels, die niet ver van zijn woning gelegen waren, ging zitten. Dat had volgens hem met zijn werk te maken.
‘Op zo’n pont is net pingpong,’ legde hij uit, ‘op en neer, op en neer. Als ik hier zit, is het net alsof ik mezelf van een afstandje zie, denkbeeldig dan. Ik word er rustig van. In mijn onderbewustzijn zie ik me over het water gaan: van de ene kant naar de andere, en weer terug, iedere zes minuten. Net zo’n balletje.’

Enigszins verrast door de analogie staarde ik naar de pingpongtafels. En plotseling begreep ik wat hij bedoelde: de witte opbouw, het metaal, het horizontale vlak met een verhoging in het midden, en vooral de blauwe biezen – verdomd als het niet waar was, het leken wel versteende modellen van IJveren.

Na ongeveer een half uur stonden we op. Bij de hoek van een woonblok namen we afscheid. Ik schudde Warmond de hand. Even keek ik de veerman na, die met energieke tred naar zijn huis liep, toen draaide ik me om, en daarbij viel mijn oog op een naamplaatje in een portiek: L.J. Frimpong. Een merkwaardige toevalligheid… In gedachten verzonken wandelde ik over de Nieuwendammerdijk in de richting van de pont.

(Dit verhaal heb ik geschreven in opdracht van Hotel van Hassel, huis van het korte verhaal en de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam. Het is met een paar kleine wijzigingen verschenen in Verhalen van Noord, de eerste uitgave van de Bibliotheek van het korte verhaal. Dit boekje, waarin nog zeven prachtverhalen van een keur aan schrijvers opgenomen zijn, is te bestellen via www.slaa.nl.
Zie ook:
www.hotelvanhassel en www.tolhuistuin.nl)

Anton Valens, mei 2011